De column van Kleijn

Kensington

Veel Nederlanders vinden het overdreven. Het Amerikaanse optimisme, het altijd vooruit kijken en het benadrukken van het positieve. Je komt het inderdaad vaak tegen. Soms is het oppervlakkig, onecht. Maar vaak ook niet. Of je komt het op plekken tegen waar je het ‘t minst verwacht. Zoals in de wijk Kensington in Philadelphia.
Ooit gebouwd rond de fabrieken die de stad groot maakten. Kleine arbeiderswoningen, in lange rijen naast elkaar. Maar in de afgelopen generaties sloten de fabrieken, verdwenen de banen en raakten de huizen in verval. Inmiddels wonen er bijna alleen nog maar mensen in Kensington die niks meer hebben: geen opleiding, geen geld, geen goed huis en nauwelijks een toekomst. Als je door de wijk loopt, is het gebrek aan perspectief bijna tastbaar. De enige openbare school is gesloten, bij het metrostation tiert de drugshandel en de misdaadcijfers zijn het hoogst van de stad.

Verderop in Philadelphia werd in 1950 soul- en R&B-zanger Teddy Pendergrass geboren. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw groeit hij uit tot een megaster in Amerika en ver daarbuiten. The Black Elvis scoort hit na hit een toert over de hele wereld. Op een gegeven moment gaf hij alleen nog maar concerten die uitsluitend door vrouwen bezocht mochten worden. De wereld ligt aan de voeten van Pendergrass en zijn band. Maar het liep niet goed af met Teddy. In 1982 krijgt hij een auto-ongeluk en raakt hij verlamd. In 1984 scoort hij nog één keer een wereldhit, een duet met Whitney Houston. Samen zingen ze het voor de hele wereld tijdens het Live Aid-concert in 1985, Pendergrass vanuit zijn rolstoel. In 2010 overlijdt hij, in zijn Philadelphia.

Terug naar Kensington. Ik zit er op een bankje met een jeugdwerker die al zijn hele leven in deze buurt woont. Hij vertelt over buurtgenoten die in de gevangenis zitten, in drugs handelen of zijn omgekomen bij vuurwapengeweld op straat. “Weet je”, zegt hij, “kijk om je heen. Er is hier niks moois, in deze buurt. Er is geen mooi park, geen museum, er zijn geen mooie huizen. De muziek gaat over bitches, drugs en gangs. Er is niks voor de langere termijn. Een toekomst is hier ver weg.” Aan de overkant schuifelt een oudere man een drankwinkeltje binnen. Er zitten tralies voor de ramen en er ligt vuilnis op straat. Het is een deprimerend tafereel. “Zag je die man?”, zegt de jongen naast mij. “Hij was ooit de bassist in de band van Teddy Pendergrass. Hij heeft de hele wereld gezien. Man, de verhalen die hij kan vertellen!” Ik zie hem de straat uit schuifelen. Ik merk op dat het eigenlijk tragisch is hoe het met iemand kan gaan, zo lopend met een fles drank in een bruine papieren zak. Verontwaardigde gezichten om me heen. “Natuurlijk niet! You know what? Better a has-been, than a never-was!” Ik voel me betrapt: mijn Nederlandse relativering zette me op het verkeerde been. De bassist van Teddy mag nu net zo arm zijn als alle anderen in de buurt. Ooit, lang geleden, was hij dat niet. Hij reisde de wereld over, vermaakte miljoenen mensen. En dat realiseert men zich hier maar al te goed. Hij was ooit iemand. Niks has-been. Zelfs in Kensington flakkert het optimisme tussen het verval.

Tom Kleijn was van 2010 tot en met 2014 correspondent van Nieuwsuur in New York. Sinds zijn terugkomst naar Nederland is hij Amerika-verslaggever voor hetzelfde programma, en reist hij heen en weer tussen Amerika en Nederland.

Lewis & Clark

In mei 1804 werden Lewis en Clark door president Thomas Jefferson op pad gestuurd. Hun doel was de noordwestkust van Amerika te bereiken en het gebied te claimen voordat Engeland of een andere Europese mogendheid dit zou doen. Achttien maanden en zesduizend kilometer verder bereikte de expeditie de monding van de Columbia River. Ruim tweehonderd jaar later volgt Amtraks Empire Builder een groot deel van het spoor van Lewis en Clark.

Meer lezen? Ga naar onze reisbladenkiosk om het nummer te bestellen.